Tell, don't show, editie 6: Wie storm zaait van T.C. Boyle

Tell, don't show, editie 6: Wie storm zaait van T.C. Boyle


Tell, don't show: om de week een roman (of dichtbundel) in tien quotes, die alles zeggen over stijl en zeggingskracht van het boek – no spoilers. Deze week Wie storm zaait van T.C. Boyle, verschenen bij Uitgeverij Meridiaan, anno 2015.

 

1.
De wandeling in de natuur was niet door de bemanning van de cruiseboot georganiseerd. Een of andere conciërge of een entertainmentmanager, hoe heette zo iemand, een giechelend wicht met een breed gezicht, kletterhakken en een opkruipend rokje, had de brochure in hun handen geduwd, tegelijk met een hele trits andere brochures voor een tiental andere activiteiten, variërend van kajakken in de haven tot een bezoek aan een pottenbakker en een zilversmid, of een zelfstandig uitstapje naar de lokale rumdistilleerderij, inclusief plattegrond. Op de foto stond een moderne gestroomlijnde bus in twee kleuren, zilver vanboven, blauw vanonder, en een lichtgetinte Tico-chauffeur met keurig geknipt haar, een hartelijke glimlach en een echt chauffeurspetje. Niet dat het Sten iets uitmaakte of de man achter het stuur uit Zweden of uit Mandingo kwam, maar het contrast was wel erg frappant. Ze waren afgescheept met een nurkse lomperik en een oud barrel, deze afgedankte schoolbus die zo vaak was overgeschilderd dat het leek alsof er een nieuwe huid overheen was gegroeid. Iedereen was teleurgesteld (‘Geen airco? Doe me een lol, zeg!’) maar ze waren toch allemaal ingestapt en hadden zich in de kinderstoeltjes geperst, op een andere opstapplek dan aangegeven, Lubbock of Yuma of King City, en zichzelf getroost: ‘Ach, het is tenminste wel goedkoop.’ (16-17)

 

2.
Waarschijnlijk was hij er minstens twintig minuten onder blijven staan, terwijl hij thuis juist altijd zo milieubewust was. Hij die vroeger, toen Adam nog een tiener was en zesmaal per dag douchte, ongeduldig op de badkamerdeur bonsde; hij die alles recyclede en uitsluitend lokale producten kocht en elke kruimel die op de borden achterbleef trouw in de biobak gooide. Maar niet op dit ogenblik, niet vandaag. Vandaag wilde hij alle smerigheid van dit helleoord van zich afspoelen, het oord dat hij überhaupt had moeten mijden als de pest. Hij hield zijn gezicht onder de kraan en zeepte zich stevig in. Hij liet zich masseren en geruststellen door de genadige waterstraal, die hem wegvoerde van die dreigende afgrond die permanent voor zijn voeten had gegaapt sinds de bus op die modderplaat was gaan staan. (45-46)

 

3.
Het was midzomer, stralend weer en de zon gaf als een kompas de richting aan. Na de zoveelste bocht kon ze in de verte de oceaan zien, en ook daar leek het helder weer. De mist aan de kust was aan optrekken en het restant zweefde als een grijs nevelbankje naar de zee. Had ze haar gordel om? Nee, en ze was ook niet van plan om die om te doen. Autogordels waren ook al een verzinsel van dezelfde illegitieme Amerikaanse overheid die de goudstandaard in 1933 overboord had gegooid om de burger als onderpand te kunnen gebruiken, zodat die hoge heren tot sint-juttemis geld konden lenen. Mooi dat zij geen onderdaan van die overheid was; zij was een soevereine burger, geboren en getogen in haar Amerika, en zij zou hun onwettige leiderschap nooit erkennen. Dus nee, mooi dat ze geen gordel omdeed. Ook had ze geen kenteken dat door de staat Californië wettelijk was voorgeschreven, want als zij met haar eigen auto de openbare weg wilde gebruiken, met de kentekens van haar eigen keuze duidelijk zichtbaar, dan was dat haar zaak, dat ging niemand een donder aan. (66-67)

 

4.
Er was geen onafhankelijkheid in deze wereld. Afhankelijkheid was alles wat de klok sloeg, de dieren stierven, de hemel was een zweer en overal hing een prijskaartje aan. Het ging er wel anders aan toe in de tijd dat de mensen vanuit de bergen in het oosten naar de Plains en de Rocky Mountains trokken, toen de landsgrens nog door de Mississippi werd gevormd en de vijand in het achterliggende territorium de scepter zwaaide. Het was in de tijd dat John Colter naar de Blackfeet aan de oever van de Missouri River ging om daar de omgeving te verkennen. Dat had hij uit de geschiedenisboeken en ook deels van het internet, maar daar vond je maar een fractie van dit soort informatie. (100)

 

5.
Sten gaf niet direct toe, maar hij voelde dat het niet pluis was. Meer latino’s, meer criminaliteit. En dan ook nog midden in de Verenigde Staten. Hij was geen racist: hij had de demografische verandering meegemaakt op de scholen. De Zweden, Noren, Italianen en Polen die door de florerende houtindustrie werden aangetrokken, trokken op hun beurt steeds meer latino’s aan die hun huizen schoonmaakten, hun auto’s repareerden, de vakken vulden in de supermarkt en de bedden voor de toeristen opmaakten, en hij vond het best dat een geïntegreerde groep immigranten nieuwe immigratie in de hand werkte. Maar het werd een ander verhaal als ze natuurschoon vernietigden en de mensen uit hun bossen verdreven. Hij had het met eigen ogen gezien: verlaten kampen, bergen afval, kadavers, chemicaliën die in de grond waren gesijpeld, lege gastanks en geïmproviseerde hutten. Dit ging om natuurbehoud, dit was een serieuze zaak. Red de bossen. Red de forel. De zalm. Het hert. (142-143)

 

6.
‘Is hij niet eng dan?’

Ze zat in de keuken van de woning aan de oever van de Noyo, met Christabel aan de telefoon. Er scheen een waterig zonnetje door de bomen. Christabel had gevraagd hoe de ballingschap verliep. Zou ze soms jaloers zijn? Reken maar. (157)

 

7.
‘Colter dit, Colter dat,’ barstte ze uit. Ze sloeg met haar vlakke hand op het aanrechtblad. ‘Val dood met je Colter. Ik heb dat verhaal nou wel duizend keer gehoord.’

Hij zat achter een bord met wentelteefjes. Zijn blik had haar moeten waarschuwen: driekwart gekwetstheid en de rest pure, rauwe woede.

‘Kun je nergens anders over praten? Vertel bijvoorbeeld eens wat je altijd in de bossen uitspookt, hm? Wat kweek je daar?’

Het bord waarvan hij zat te eten, het servies van zijn oma met het patroon van rode roosjes, werd tegen de muur gesmeten. (180-181)

 

8.
Ze zaten in het driestromengebied van de Missouri, waar de rivieren de Jefferson, de Madison en de Gallatin samenkwamen in de streek die tegenwoordig Montana heet. Ze vingen bevers en konden een enorme voorraad huiden aanleggen, want dit was het maagdelijke terrein van de Blackfeet, waar slechts weinigen zich waagden. De Blackfeet hadden hardvochtige methodes om met indringers af te rekenen. Afhankelijk van hun humeur sneden ze eerst je vingers een voor een af, daarna je tenen, je oren en je lippen. Ze ramden spaanders van vurenhout in je vlees die ze in brand staken, vilden je levend en zwaaiden met je eigen bloederige repen vel voor je neus heen en weer zodat je precies wist wat ze je aandeden. En al die tijd moest je ze in hun gezicht uitlachen alsof je geen pijn voelde, want dan had je nog een minieme kans de foltering te overleven. Zodra je ging piepen, kermen of smeken, namen ze er uitgebreid de tijd voor om je einde zo lang mogelijk te rekken. En daar hadden ze bijzonder vindingrijke methoden voor. (197)

 

9.
Hij treuzelde en dat was niet cool, hij was geen goede soldaat, dat zou hij grif toegeven. Wat dan nog. De sfeer in deze blokhut beviel hem, een oude leunstoel met hondenharen en daarboven hing een opgezette hertenkop aan een knoestige houten wand. Er was sterkedrank in huis, de wodkafles was warempel nog voor tweederde gevuld – papa beer, mama beer, baby beer. Hij vond een ijzerzaag in de gereedschapsschuur, en kijk, een bankschroef en een vijl. Eten in de ijskast, ham en kaas, gele mosterd en witbrood voor de perfecte tosti. Wat tikte daar op het dak? Regen, het was de regen, de eerste bui van het seizoen, het stoorde hem niet als het ging plenzen. Al die haast was nergens goed voor. Hij laste een pauze in, stak de houtkachel aan en bleef in de stoel zitten tot de ochtend overging in de middag, terwijl hij andermans wodka dronk, andermans geweer verbouwde en nergens over nadacht. (270)

 

10.
In gedachten zag ze Corinna voor zich. Niet het bloederige karkas met de uitstekende ribben dat ze weldra zou zien, maar Corinna die net haar eerste kalfje had geworpen, trots en waakzaam op haar ranke poten, oren gespitst en neusvleugels wijd opengesperd in de wind. Op dat moment was er een hond aan de rand van het weiland verschenen, keurig aangelijnd en wel, die daar door zijn baasje werd uitgelaten. De hond was heel ver weg en vormde geen enkele bedreiging, maar dat begreep Corinna niet. Ze zag gevaar in de manier waarop het zonlicht door de vier poten van de hond werd doorsneden en ze aarzelde geen seconde, de kluiten aarde vlogen omhoog door haar messcherpe hoeven waarmee ze die hond – en zijn baasje – in een oogwenk had kunnen onthoofden, gedreven door puur instinct. (325)
 

 

Deze editie van Tell, don't show werd gemaakt door Stijn de Vries, redacteur buitenlandse fictie bij Lebowski. Volg die manWie storm zaait van T.C, Boyle werd vertaald door Anne Jongeling. Boyle bezoekt in september Nederland. Hij valt te bewonderen:

Op donderdagavond 3 september trapt Border Kitchen het bezoek af: Arjan Visser (Trouw) interviewt Boyle in het Theater aan het Spui, Den Haag.

Op vrijdagavond 4 september is het de beurt aan Passa Porta: Boyle staat om kwart over acht klaar om het over zijn werk te hebben. Waar? Flagey’s, te Brussel.

Op zaterdagavond 5 september treedt Boyle op in poptempel Paradiso te Amsterdam, op uitnodiging van het John Adams Institute. Hij wordt geinterviewd door Toef Jaeger (NRC Handelsblad).

Zondag 6 september zal Boyle deel uitmaken van Überamstel, de opening van het literaire seizoen aan de linkeroever van de Amstel. Samen met andere auteurs is Boyle die middag te vinden aan tHuis aan de Amstel.

Zondagmiddag 6 september organiseert Literatuurhuis Utrecht het slotakkoord: Hans Bouman (de Volkskrant) zal met Boyle in gesprek gaan in de Winkel van Sinkel tijdens het Literaire Ladder Live-event.  

Gepost op: 2015-08-17 in: boeken

Recente posts

OvG @Twitter

Featured posts